Soms kun je ineens heel boos worden. Misschien weet je niet eens precies waarom. Je kunt boos zijn op je ouders, je broer of zus, je vrienden, de dokter of verpleegkundige. Of misschien ben je gewoon boos op alles en iedereen.
Als je kanker hebt of hebt gehad, kan dat extra vaak gebeuren. Je leven is misschien in korte tijd heel anders geworden. Je moet naar het ziekenhuis, behandelingen krijgen, wachten op uitslagen en misschien veel thuisblijven. Dat kan ontzettend veel met je doen.
Boos zijn betekent niet dat er iets mis met je is. Boosheid is een gevoel. En gevoelens kunnen soms ineens heel sterk worden.
Waarom word ik boos als ik niet weet waarom?
Je hoeft niet altijd meteen te weten waarom je boos bent. Soms komen er verschillende gevoelens tegelijk bij elkaar.
Misschien ben je eigenlijk:
- bang voor een behandeling;
- verdrietig omdat je dingen mist;
- moe van alle afspraken;
- gespannen door een uitslag;
- geïrriteerd omdat anderen steeds vragen hoe het met je gaat;
- jaloers op vrienden die gewoon naar school of sport kunnen;
- verdrietig omdat je lichaam veranderd is;
- boos omdat je ziek bent geworden terwijl je daar helemaal niet om hebt gevraagd.
Al die gevoelens kunnen zich soms uiten als boosheid.
Je denkt misschien: Waarom doe ik zo boos? Maar eigenlijk probeert je lichaam en je hoofd te vertellen dat er veel aan de hand is.
Kanker kan veel gevoelens geven
Wanneer je kanker hebt, kun je allerlei gevoelens hebben. Het ene moment voel je je misschien vrolijk en het volgende moment verdrietig of boos.
Dat kan bijvoorbeeld gebeuren na een behandeling. Je lichaam is moe en je hebt misschien pijn of weinig energie. Daardoor kun je sneller geïrriteerd raken.
Ook het wachten kan moeilijk zijn. Wachten op een scan, bloeduitslag of gesprek met de arts kan spannend zijn. Soms merk je pas later hoeveel spanning je hebt opgebouwd.
Je hoeft je daarvoor niet schuldig te voelen.
Ook vermoeidheid kan je sneller boos maken
Ben je vaak moe? Dan kan het moeilijker zijn om rustig te blijven.
Misschien reageer je ineens boos als iemand iets aan je vraagt. Of je kunt veel minder hebben dan normaal.
Dat betekent niet dat je een onaardig persoon bent. Je hebt op dat moment misschien gewoon weinig energie over.
Probeer daarom goed naar je lichaam te luisteren. Soms helpt het om even te rusten, muziek te luisteren, te gamen, te tekenen of gewoon alleen te zijn.
Mag ik boos zijn?
Ja. Je mag boos zijn.
Je hoeft niet altijd vrolijk of positief te zijn omdat je kanker hebt. Je mag het oneerlijk vinden. Je mag balen van behandelingen. Je mag boos zijn omdat je niet kunt doen wat andere kinderen doen.
Je gevoel mag er zijn.
Het is alleen belangrijk wat je met je boosheid doet. Je mag boos zijn, maar probeer anderen niet expres pijn te doen.
Je kunt bijvoorbeeld zeggen:
“Ik ben nu echt heel boos. Ik weet eigenlijk niet eens waarom.”
Dat is helemaal oké.
Wat kan ik doen als ik heel boos ben?
Als je merkt dat je boosheid steeds groter wordt, kun je proberen even afstand te nemen.
Misschien helpt een van deze dingen:
- Ga even naar een rustige plek.
- Luister naar je favoriete muziek.
- Ga tekenen of schrijven.
- Knijp in een kussen.
- Ga wandelen als dat voor jou kan.
- Praat met iemand die je vertrouwt.
- Adem een paar keer langzaam en diep.
- Schrijf op wat er door je hoofd gaat.
- Doe even iets waar je blij van wordt.
Je hoeft je boosheid niet meteen helemaal weg te krijgen. Het kan al helpen als de boosheid een beetje minder wordt.
Praat over je boosheid
Soms helpt praten het meest. Je kunt vertellen dat je boos bent tegen je ouder, verzorger, broer of zus, vriend, verpleegkundige of iemand anders die je vertrouwt.
Je hoeft niet precies te weten waarom je boos bent.
Je kunt gewoon zeggen:
“Ik weet niet waarom, maar ik voel me vandaag heel boos.”
Dat kan al genoeg zijn om een gesprek te beginnen.
Misschien ontdek je tijdens het praten vanzelf waar je boosheid vandaan komt.
Je hoeft niet alles alleen te dragen
Wanneer je kanker hebt, kunnen er veel dingen tegelijk gebeuren. Daarom is het belangrijk dat je niet alles alleen hoeft op te lossen.
Als je vaak boos, verdrietig of bang bent, vertel dit dan aan iemand die je vertrouwt. Ook als je niet precies kunt uitleggen waarom.
Een volwassene kan samen met jou kijken wat er aan de hand is en wat jou kan helpen.
En soms is een luisterend oor al genoeg. Je hoeft niet altijd advies te krijgen. Soms wil je gewoon dat iemand naar je luistert.
Boos zijn maakt je niet slecht
Misschien heb je na een boze bui spijt van wat je hebt gezegd of gedaan. Dat kan gebeuren.
Je kunt dan proberen het weer goed te maken. Zeg bijvoorbeeld sorry als je iemand hebt gekwetst en vertel dat je op dat moment heel boos was.
Maar vergeet ook jezelf niet. Een boze bui betekent niet dat je een slecht kind bent.
Je maakt moeilijke dingen mee en het is normaal dat dit soms naar buiten komt.
Wanneer moet ik hulp vragen?
Vraag hulp als je merkt dat je boosheid heel vaak voorkomt of steeds heftiger wordt.
Praat bijvoorbeeld met een ouder, arts, verpleegkundige, psycholoog of andere volwassene die je vertrouwt als:
- je bijna iedere dag erg boos bent;
- je jezelf of iemand anders pijn wilt doen;
- je vaak ruzie krijgt;
- je niet meer weet hoe je met je gevoelens moet omgaan;
- je door je boosheid niet meer goed kunt slapen, eten, leren of ontspannen;
- je je naast boosheid ook vaak erg verdrietig of bang voelt.
Je hoeft niet te wachten totdat het echt niet meer gaat. Hulp vragen is geen teken dat je zwak bent.
Conclusie: je hoeft niet altijd te weten waarom je boos bent
Als je kanker hebt of hebt gehad, kunnen je gevoelens soms behoorlijk door elkaar lopen. Angst, verdriet, vermoeidheid, spanning en frustratie kunnen zich allemaal uiten als boosheid.
Daarom hoef je niet altijd meteen te weten waarom je boos bent.
Geef jezelf de ruimte om te voelen wat je voelt. Zoek een rustige plek, doe iets waardoor je ontspant en praat met iemand die je vertrouwt als je daar behoefte aan hebt.
En onthoud:
Je bent niet je boosheid. Je bent gewoon jezelf, met gevoelens die soms heel groot kunnen zijn.